Nadat Dick Maas en Huub Stapel hun Career Achievement Award hadden ontvangen, hadden beiden een dankwoord. Dick hield het kort, naar eigen zeggen zoals de mensen dat van hem gewend zijn. “Hartelijke dank. Ik ben er heel blij mee.” Huub daarentegen haalde zes dubbelzijdige beschreven A’4tjes uit zijn binnenzak. Zijn formidabele speech annex huldeblijk aan Dick Maas is hieronder te lezen.
Dames en heren,
Een oeuvreprijs.
Ja.
Daar schrik ik toch even van.
Natuurlijk ben ik vereerd.
Ik ben ontroerd.
Ik ben dankbaar.
Maar een oeuvreprijs is ook een cultureel beleefde manier om aan mij te vragen:
“Heb je eigenlijk al een testament?”
Het woord alleen al.
Oeuvre.
Dat klinkt niet alsof iemand denkt:
“Die jongen staat aan het begin van iets moois.”
Nee.
Een oeuvreprijs betekent voor mijn gevoel eigenlijk:
“We hebben eens even gekeken naar wat u allemaal gedaan heeft… en wij denken: het is wel zo’n beetje compleet.”
Ik verwacht ook ieder moment dat Jan Doense zegt:
“Huub, geniet ervan. En doe voorzichtig op de trap.”
Terwijl ik dat gevoel dus helemaal niet heb.
Ik voel me helemaal niet klaar.
Dat gevoel wil maar niet komen.
En volgens mij heeft Dick hetzelfde probleem.
Dick Maas en ik begonnen meer dan veertig jaar geleden met De Lift.
Een film over een liftmonteur, Felix Adelaar, die het moest opnemen tegen een lift die volledig krankzinnig was geworden.
Die lift was…
een beetje van zijn schacht.
Dat niveau dus.
Daar begon mijn filmcarrière.
We draaiden De Lift in een krankzinnig korte tijd voor 750.000 gulden.
De hele film.
Voor 750.000 gulden.
Tegenwoordig is een beetje producent dat bedrag volgens mij al kwijt voordat de eerste draaidag begonnen is.
Dan heb ik drie producenten, twee intimacycoördinatoren, iemand voor duurzaamheid, iemand voor mentale veiligheid en een stagiair die vraagt of de explosie misschien hybride kan.
Wij hadden Dick.
Dat was alles.
Dick wees ergens naar en zei:
“Daar moet je gaan staan.”
En als ik vroeg: “Waarom?”
zei hij:
“Omdat daar de camera staat.”
De catering werd verzorgd door Mariël, de dochter van Paul Verhoeven en Martine.
En catering is eigenlijk een groot woord.
Er was soep.
En er waren broodjes.
Dat was het.
Na drie weken wist ik ook niet meer of ik naar de set ging of naar een bijeenkomst van het Leger des Heils.
Achteraf had ik beter zelf een broodtrommel mee kunnen nemen.
Wat bovendien uitstekend had gepast bij Felix Adelaar.
Liftmonteur.
Overall.
Broodtrommel.
Thermoskan.
Een moordende lift.
Gewoon een gemiddelde dinsdag bij de technische dienst.
En ergens rond de tiende draaidag ging ’s morgens bij mij thuis de telefoon.
Dick.
Ik schrok me een hoedje, want ik hoefde pas een uur later op.
Ik neem op.
Dick zegt:
“Ik ben ontslagen.”
Ik zei:
“Nou, dan kom ik ook niet.”
Ik hing op.
En dacht:
Zo.
Dat was mijn filmcarrière.
Mijn eerste hoofdrol.
Tien draaidagen.
Eigenlijk had Film by the Sea mij toen al een oeuvreprijs kunnen geven.
Het was een klein oeuvre.
Maar wel overzichtelijk.
Een uur later ging de telefoon opnieuw.
Dick.
“Ik ben weer aangenomen.”
Ik zei:
“Dan kom ik ook.”
En ik denk dat dit nog steeds de beste samenvatting is van onze professionele relatie.
“Ik ben ontslagen.”
“Dan kom ik niet.”
“Ik ben weer aangenomen.”
“Dan kom ik wel.”
Geen vergaderingen.
Geen strategiesessies.
Geen heidag.
Geen coach die vraagt:
“Wat hebben jullie van elkaar nodig om in je kracht te komen?”
Gewoon:
“Ben je ontslagen?”
“Ja.”
“Dan blijf ik thuis.”
Met vallen en opstaan, nauwelijks geld, lange draaidagen en soep hebben we De Lift afgemaakt.
En toen gebeurde er iets wat eigenlijk niemand had voorzien:
mensen gingen ernaar kijken.
Heel veel mensen.
En niet alleen in Nederland.
De Lift kwam terecht op het fantastische filmfestival van Avoriaz in Frankrijk.
En daar wonnen we de Grote Prijs.
We wonnen het van Christine, de film van de grote David Cronenberg.
Christine werd tweede.
Ik bedoel…
David Cronenberg tweede.
Dick Maas eerste.
Dat moet ook voor Cronenberg een verwarrende avond zijn geweest.
En daarna ging het helemaal los.
De Lift werd verkocht aan meer dan honderd landen over de hele wereld.
Meer dan honderd landen!
En alleen al in Parijs ging de film uit met 52 kopieën.
Overal in de stad hingen filmposters van De Lift.
Dat moet ik me soms nog steeds even voorstellen.
Een paar maanden daarvoor stond ik nog in Nederland soep te eten op een filmset waar niemand geld had…
en nu liep ik door Parijs en hing onze eerste film overal aan de muren.
Dick Maas en Huub Stapel.
Twee jongens uit de provincie.
Ik uit Tegelen.
Dick uit Heemstede.
Nou ja, Heemstede is natuurlijk óók provincie…
maar wel met een hele goede boekhouder.
We hadden geen idee wat ons overkwam.
We liepen door Parijs en ik dacht:
dit is het dus.
Dit is film.
Dit is het grote werk.
En we logeerden ook nog eens in Hôtel de Crillon, aan de Place de la Concorde.
Een peperduur hotel.
Zo’n hotel waar ik bij binnenkomst onmiddellijk het gevoel kreeg dat ik financieel niet gekleed was voor de gelegenheid.
Ik kreeg een kamer.
Dick kreeg een suite.
Voor 3.750 gulden.
Dat vond ik toen al een interessant verschil in waardering van onze bijdrage aan de film.
Maar goed.
Midden in de nacht, ik denk dat het half één was, meldde Dick zich.
“Huub…”
Ik zei:
“Wat is er?”
“Ik kan niet slapen.”
Ik zei:
“Wat bedoel je, je kan niet slapen?”
“Kom eens hier naartoe.”
Dus ik naar die suite.
Ik dacht: er is iets ernstigs aan de hand.
Bleek dat Dick niet onder de lakens kon liggen omdat…
de lakens gesteven waren.
Gesteven.
En van die gesteven lakens kreeg Dick het benauwd.
Hij kreeg er letterlijk ademnood van.
Dus hij kon niet onder de lakens liggen.
Midden in de winter.
In Parijs.
In het duurste hotel van de stad.
In een suite van 3.750 gulden.
En Dick had het steenkoud.
Dat vond ik achteraf eigenlijk prachtig.
Daar stonden we dan.
De Grote Prijs van Avoriaz.
Cronenberg verslagen.
Onze film verkocht aan meer dan honderd landen.
52 kopieën in Parijs.
Overal onze filmposters.
Slapen aan de Place de la Concorde.
We hadden het gemaakt.
Alleen Dick kon er niet onder liggen.
En misschien zat daar achteraf gezien onze hele carrière al in.
Hoe groot het ook werd…
er was altijd wel iets.
Een producent.
Een budget.
Een ontploffing.
Een speedboot.
Of een gesteven laken.
Maar als ik nu terugdenk aan die twee jongens die daar door Parijs liepen en overal de poster van hun eerste film zagen hangen…
dan raakt me dat nog steeds.
Want we hadden werkelijk geen idee wat er allemaal nog zou komen.
Na De Lift kwam Flodder.
En in 1987 Amsterdamned.
En bij Amsterdamned ontdekte ik dat werken met Dick niet alleen artistiek avontuurlijk was.
Het was lichamelijk ook niet geheel zonder risico.
We draaiden de beroemde speedbootachtervolging door de Amsterdamse grachten.
Op een gegeven moment voeren we met grote snelheid op een T-splitsing af.
De Engelse stuurman maakte een fout.
En wij knalden vol tegen een grachtenmuur.
Dat was geen stunt.
Dat was gewoon een ongeluk.
En een behoorlijk zwaar ongeluk ook.
Ik hield er een inoperabele dubbele hernia aan over.
Waar ik tot op de dag van vandaag nog veel plezier van heb.
Af en toe valt mijn linker- of rechterarm uit.
Maar goed.
Dat is een detail.
Andere acteurs krijgen na een film een bos bloemen.
Ik kreeg een neurologisch souvenir.
En het mooie is:
we gingen gewoon door.
Dat was 1987.
Toen bestond het begrip “nazorg” volgens mij nog niet.
Ik had zorg.
En daarna had ik de volgende draaidag.
Dus als mensen mij vragen:
“Huub, wat heeft Dick Maas voor jouw carrière betekend?”
dan zeg ik:
“Ontzettend veel.
En voor mijn wervelkolom ook.”
Daarna kwam Flodder 2.
En veel later Amsterdamned II.
Dick bouwde ondertussen aan een heel eigen universum.
Een wereld waarin auto’s door de lucht vliegen, grachten gevaarlijk zijn, liften moorden en complete woonwijken ontploffen.
Eigenlijk heeft Dick zijn hele carrière geprobeerd Nederland minder veilig te maken.
En dat is hem buitengewoon goed gelukt.
Ik ben daar het medisch bewijs van.
Tussendoor heb ik me ook nog laten verleiden om Sint te doen.
Vier draaidagen.
Dat klonk aantrekkelijk.
Vier dagen.
Hoe erg kon het zijn?
Nou.
Ze moesten voor Sint een masker van mijn gezicht maken.
Dus mijn hele gezicht werd ingesmeerd en dat moest ongeveer een uur uitharden.
Alles zat dicht.
Ik kreeg twee kleine rietjes in mijn neus waardoor ik mocht ademhalen.
Dat was het.
En op zo’n moment ontdekte ik hoe lang een uur werkelijk duurt.
Ik heb in mijn carrière angst gespeeld.
Paniek gespeeld.
Doodsangst gespeeld.
Maar dit was de eerste keer dat ik dacht:
als iemand nu één van die rietjes dichtknijpt, krijgt Dick eindelijk een écht lijk in zijn film.
Vier draaidagen had ik.
Maar daarna mocht ik wel de volledige pers doen.
Dat vond ik achteraf een bijzondere verdeling.
De kortste rol uit mijn carrière…
en de langste perstour.
Ik heb langer over Sint gepraat dan dat ik erin zat.
Volgens mij heb ik op een gegeven moment zelfs interviews gegeven over scènes waarin ik helemaal niet voorkwam.
En nu staan we hier.
Dick en ik.
Meer dan veertig jaar later.
Na liften, explosies, achtervolgingen, grachten, Flodders, moordende sinterklazen en waarschijnlijk een bedrag aan fictieve schade waar de hele Nederlandse filmindustrie drie jaar van had kunnen draaien.
Onze laatste film samen was Amsterdamned II.
Daar hadden we natuurlijk verwachtingen van.
Grote verwachtingen.
De film werd de best bezochte Nederlandse film van dat jaar.
Dat klinkt fantastisch.
En dat ís het ook.
Alleen hadden Dick en ik in ons hoofd natuurlijk alweer besloten dat ongeveer iedere Nederlander hem drie keer zou gaan zien.
Dat gebeurde niet.
Ondankbaar volk.
Dus het werd niet helemaal het enorme succes waarvan we hadden gedroomd.
En dan krijg ik ineens een oeuvreprijs.
Ik weet niet of dat toeval is.
Ik maak een film die iets minder doet dan ik gehoopt had en onmiddellijk belt Vlissingen:
“Misschien moet u eens langskomen.”
Dan denk ik:
dit kan twee kanten op.
Of ik krijg een prijs…
of ze nemen mijn rijbewijs in.
Maar ik vind deze prijs werkelijk bijzonder.
Juist omdat ik hem samen met Dick krijg.
Want als ik terugkijk op onze samenwerking, zie ik vooral een man die altijd volkomen zijn eigen gang is gegaan.
Dick heeft volgens mij nooit in zijn leven gedacht:
“Wat zou succesvol zijn?”
Hij dacht:
“Wat zou leuk zijn?”
En vlak daarna:
“Kan het ontploffen?”
Hij maakte films die eruitzagen als Dick Maas-films.
Dat klinkt vanzelfsprekend.
Maar dat is het helemaal niet.
Zeker niet in Nederland.
Hij had zijn eigen humor.
Zijn eigen ritme.
Zijn eigen smaak.
Zijn eigen koppigheid.
En als iedereen zei:
“Dick, misschien moet je dat niet doen…”
dan wist ik één ding zeker:
Dick ging het doen.
En waarschijnlijk twee keer zo groot.
En ik heb het enorme geluk gehad dat ik daar vanaf het begin bij mocht zijn.
Van Felix Adelaar met zijn gereedschapskist en zijn denkbeeldige broodtrommel…
tot Amsterdamned II.
We zijn ouder geworden.
De films zijn groter geworden.
De budgetten gelukkig ook.
En de catering is enorm vooruitgegaan.
Maar dat gevoel van toen is er bij mij nog steeds.
Dat ik iets ga maken waarvan ik niet precies weet of het gaat lukken.
En dat ik het daarom juist moet doen.
En als ik nu naar Dick kijk…
dan zie ik ergens nog steeds die jongen met wie ik door Parijs liep.
En misschien geldt dat voor mijzelf ook.
Alleen zijn we inmiddels blijkbaar…
het oeuvre geworden.
Dus Jan Doense, Film by the Sea:
dank voor deze prachtige oeuvreprijs.
Ik ben er ontzettend blij mee.
En oprecht trots op.
Maar ik wil wel één ding afspreken.
Noem het alsjeblieft geen afscheid.
Geen eindpunt.
Geen “bedankt voor alles”.
En blijf uit de buurt van mijn testament.
Want de eerste keer dat ik dacht dat mijn filmcarrière voorbij was, ging een uur later de telefoon.
Dick.
“Ik ben weer aangenomen.”
Dus Dick…
mocht jij morgen bellen en zeggen:
“Ik heb weer iets.”
Dan is mijn antwoord nog steeds precies hetzelfde als in 1983:
“Dan kom ik ook.”
Hartelijke groet,
Huub Stapel